De dood

Ik ben inmiddels tweeëndertig en er is nog niemand dood. Er zou toch iemand dood moeten gaan, denk ik dikwijls. Ik mag er toch vanuit gaan dat ook ik dat mee ga maken.
Soms vergeet ik hoe oud ik ben. Dat is begonnen rond mijn dertigste en ik betrap mezelf er regelmatig op dat ik aan het tellen ben. Dat ik verstrooid aan iemand in mijn buurt vraag, “Ik ben tweeëndertig toch?”
De jaren die geweest zijn vervloeien. Er is geen precisie meer. Dat is het moment voor de dood om mijn leven binnen te dringen. Althans, dat vermoed ik. Ik kijk er naar uit zoals een stokstaartje de savanne overkijkt. Dat stokstaartje staat niet verwelkomend het gevaar op te wachten. Het weet dat het gaat komen. Het wil maar alvast voorbereid zijn.
Ik vraag me af hoe ik me kan voorbereiden op de dood. Hoe ik afscheid zou kunnen nemen van iemand waar ik heel veel van hou. Ik kan me dat gedetailleerd voorstellen. Wat ik niet weet is hoe ik daarna weer verder zou moeten. Dat beklemt me en dan realiseer ik me weer: Er is nog niemand dood.
Mijn moeder belt. Ze heeft pijn aan haar knie. Ik begin met tellen. Hoe oud is mijn moeder eigenlijk? Aan de andere kant van de lijn ratelt ze door over de kwaal die ze al twee jaar heeft maar die haar nu pas ernst wordt. Plotseling slaat de stokstaart in mij alarm.
“Mama”, zeg ik. “Mama, waarom vertel je me dit nú pas?” Ik negeer de beschuldiging in mijn stem. Zij gelukkig ook. Mijn moeder zucht en zegt berustend, “Omdat ik nu zeker weet dat het niet meer overgaat.” Er nestelt een onbestemde essentie in mijn buik die ik nog niet ontrafelen kan.
Een paar dagen later belt ze me weer. Opgetogen. Ze heeft een nieuwe fiets gekocht. Ze kan niet goed meer lopen of op een fiets stappen en ze heeft een nieuwe fiets met een lage instap gekocht. “Niet met een motortje want dat is voor oude vrouwen”, zegt ze fier. De ouderdom werkt zich op slinkse wijze het leven binnen, denk ik nog. Bijna onmerkbaar. Dat was er eerst. Die knie. En nu die fiets. Dat geneest wel weer, denk ik nog. Later zal ik zeggen. Dat was het begin.
De dood is als een parasiet die ons besmet en ons doet vergeten dat we sterfelijk zijn. Net als met Toxoplasma gondii besmette muisjes. Deze parasiet nestelt zich in de muizenbreintjes en verandert het zo dat zij geen angst meer voelen voor katten. Wanneer de muizen geen angst meer voelen voor de kat rennen ze niet meer weg als deze plotseling verschijnt. Zo wil ik maar zeggen: de dood heeft zo zijn manieren.
Ik was eens bij de begrafenis van iemand. Iemand die ik niet kende. Hoe ik daar precies kwam is oninteressant maar wat er gebeurde verre van. Ik stond buiten het crematorium naar een mus te kijken toen er een oudere dame naast me kwam staan. Dicht naast me. Het regende een beetje en ik stond onder een afdakje. De dame rook sterk naar parfum en lippenstift en haalde in één beweging een sigaret en aansteker uit haar zak. Ze stak de sigaret aan en inhaleerde diep. Toen keerde ze zich naar me toe. “Na iedere begrafenis realiseer ik me weer hoe kort het leven is, en dat je er van moet genieten.” zei ze, terwijl ze genietend haar leven stond te verkorten.
Toen wist ik het zeker. We zijn allemaal besmet met Toxoplasma gondii. We zien de dood niet meer en wanen ons onsterfelijk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s