Het leven

Sommige dingen zijn er ineens en daar kan ik nooit zo goed aan wennen.
Zoals het hoge gebouw vlak bij mijn huis dat op een dag ineens verrees tussen de indrukwekkende zomerbomen. Het stond daar af te zijn. Alsof het er altijd had gestaan.
Ik wijs het een vriendin aan. Op haar lippen ligt nog een waas van de rode wijn die we drinken. “Ik zie daar niets merkwaardigs aan”, zegt ze, terwijl ze voorover bukt om aan de lavendel te ruiken. Ik leg haar uit dat het er ineens was. Dat gebouw. Zonder aankondiging in welke vorm dan ook. Ze haalt haar schouders op. “Dat zijn allemaal bouwpakketten tegenwoordig. Met kant en klare muren.” Ik wil haar uitleggen dat het niets voor mij is om zoiets niet op te merken, maar ik slik mijn woorden met de wijn in.
We praten over ons leven. Over hoe we nu écht gaan leven. “Het leven gaat nú beginnen!” scanderen we zelfs na drie glazen wijn. Kleine glazen, maar toch. Beschonken laat het leven zich lonken en dromen we scenario’s aan elkaar. Zij kan dat beter dan ik. Niet beter. Realistischer. Sommige mensen zijn heel goed in het leven doen. Deze vriendin dus. Zij beheerst het leven zó goed dat het haar niet verontrust dat gebouwen vol bewoners ineens verschijnen zonder dat iemand dat echt opmerkt. Oog voor detail vermoeit haar. Dat ik daar een soort absurditeit in waarneem vindt ze maar gek.
We drinken tot we er van zuchten en verlaten onze plek in de zon. Onze voeten knarsen over het grindpad. We lopen naast elkaar. Soms raakt mijn schouder die van haar. Ik luister naar wat ze me vertelt. Over de sportschool, haar werk. Ondertussen laat ons eerdere gesprek me nog niet goed los. Ik voel dat ik niet oordeelloos naar haar of het leven kijk. Zij lijkt het leven zonder problemen te ondergaan maar ergens denk ik: ondergaat ze het wel? Kijkt ze wel écht?
Ik luister tot haar stem langzaam vervaagt en op de achtergrond raakt. Verderop zie ik De Rokende Man aan de straat zitten. Hij zit er zoals hij daar heel vaak zit. Aan een tafeltje, met zijn benen over elkaar geslagen en in de walm van zijn eigen sigarettenrook. Zijn wangen zijn ingevallen. Zijn enkels steken mager en wit onder de pijpen van zijn broek uit. Voor hem staat een volle asbak. Onbewust ga ik langzamer lopen. Mijn vriendin praat door. Ze ziet niet dat De Rokende Man heel erg zijn best doet om niet te roken. Of om juist wel te roken. Dat wordt me op een dag nog wel eens duidelijk. Hij zit in ieder geval al heel lang in de rook. Alles aan hem is dof en vergeeld. Zijn huid. Zijn lippen. Zijn baard.
De man houdt de sigaret met kwetsbare tederheid tussen zijn vergeelde vingers. Brengt hem dicht bij zijn lippen en doet alsof hij een trekje neemt. Hij draait zijn hoofd weg alsof hij zich bedenkt. Dat ritueel herhaalt zich eindeloos. Tot er van de sigaret niks meer over is en hij een nieuwe moet opsteken. Even laat hij zijn hand boven de asbak zweven. Een beweging die ik associeer met de joviale verhalen van een vriend die zichzelf tijdens het vertellen geen tijd gunt werkelijk een trek te nemen. Daardoor blijft de sigaret ongebruikt tussen zijn vingers hangen. De Rokende Man heeft niets joviaals wanneer hij doet alsof. Het oogt treurig en eenzaam. Vermoeid ook. Het voelt alsof het leven in persoon daar een toneelstuk voor me opvoert en ik heel goed moet opletten. Alsof het me waarschuwt en zegt: je moet niet doen alsof je leeft. Leef écht! Alsof het met een vreemdsoortige contradictie de essentie kenbaar wil maken: inhaleer het leven! Heb lief! Rook! Feest! Schrijf! Maar wat je ook doet: onderga het echt
Mijn vriendin houdt haar pas in en draait zich om. “Loop ik te snel?” vraagt ze.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s