De dokter

Een vastgelopen brein is het grootste genot dat er is. Bijna dan. Er zijn een paar dingen die fijner zijn, al scheelt het niet veel. Er zijn maar weinig dingen die het brein tijdelijk en onschuldig laten vastlopen. Het is niet voor alles weggelegd, maar wel voor iedereen.
Het hoestende meisje in de wachtkamer verveelt zich en richt haar blik op mij. Ik wacht zoals ik altijd wacht in een wachtkamer. Eerst bekijk ik met veel aandacht de schilderijen aan de muur. Daarna blader ik door een tijdschrift uit negentienhonderdachtennegentig. Ik zie het meisje twijfelen.  “Wat is jouw lievelingswoord in moedertaal?” vraagt ze dan toch, de verveling overstijgendend. Haar vraag moeizaam. Alsof ze over ieder woord goed moet denken. De r spreekt ze zwaar en rollend uit. Alsof het haar hele mond in beslag neemt. Ze noemt mijn taal niet bij naam, alsof ze er niet vanuit wil gaan dat ik hier vandaan kom. Lievelingswoord en moedertaal klinkt als een zeldzame combinatie uit de mond van een kind, denk ik gefascineerd.
Ik kijk naar de donkere ogen van het meisje. Haar moeder heeft die ogen ook zie ik nu. Bij haar ook twijfel in haar blik.
“Fascinatie” antwoord ik.
“Wat?” zegt het meisje.
“Fas-ci-na-tie.”
Het meisje draait zich naar haar moeder. Zegt iets in een taal die ik niet ken. Dan haalt ze haar schouders op. “Die woord wij hebben niet in ons land”
“Dat is jammer” zeg ik.
Ik laat het woord talloze keren over mijn lippen struikelen. Hoewel in gedachten. De betekenis holt erachteraan. Dat is een beetje verwarrend. Mijn hoofd omvat dat niet altijd. Mijn hoofd heeft de neiging vast te lopen wanneer ik mijn lievelingswoorden gefascineerd de revue laat passeren. Het woord fascinatie is zo’n fascinatie waarbij dat eigenlijk altijd het geval is. Ik wil het meisje naar haar lievelingswoord vragen, en vragen of zij dat ook wel eens heeft, maar dan haalt de dokter haar op en blijf ik alleen achter in de wachtkamer.
Ik besluit de symptomen die me hier gebracht hebben te Googlen. Vruchteloze poging want ik vind niks. Tenminste: ik denk niet dat ik écht kanker heb.
Laatst zag ik op tv een dokter die met ergernis vertelde dat patiënten tegenwoordig in haar praktijk kwamen met internetdiagnoses. Diagnoses die nooit kloppen en altijd erger zijn dan de werkelijke kwaal. Soms geloven ze haar niet wanneer ze de zelfdiagnose van de hand doet. Als Google het zegt dan moet het wel waar zijn.
Ik denk aan het meisje. Aan haar rollende r. Aan haar moedertaal die ik niet herken. Aan mijn eigen moedertaal die me op zeldzame momenten ook in de steek kan laten. Alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Het moet verschrikkelijk zijn wanneer je hersenen je permanent in de steek laten maar kortstondige hapering vind ik begeerbaar, lekker zelfs. Het zijn die schaarse momenten vóór een eureka, of wanneer je dat woord, dat op het puntje van je tong ligt, eindelijk naar buiten kotst. De leukste is semantische verzadiging. Het besluipt mij van achter en overvalt me op de meest onmogelijke momenten. Het maakt dat de betekenis van mijn woord wegvalt en er niets overblijft dan een vreemde klank op mijn lippen. Een klank zonder samenhang. Op die momenten kan ik niet ontkennen dat mijn moedertaal echt zo lelijk klinkt als de buitenstaander beweerd. Het is een geweldig gevoel maar een heel lelijke benaming.
Na een tijdje hoest het meisje zichzelf weer de dokterskamer uit.
“Bananenvla!” roept ze me toe, terwijl ze aan de hand van haar moeder naar buiten huppelt. Ze zwaait nog vluchtig. Ba-na-nen-vla, doen mijn hersenen. Mijn mond volgt. Ik probeer het te horen zoals het meisje het ook ooit voor het eerst moet hebben gehoord. Het lukt niet. Semantische verzadiging doet niets op commando. Misschien heb ik toch hersenkanker. Al denk ik niet dat een koortslip daar een symptoom van is.
De dokter vraagt waarom ik ben gekomen. Door haar ronde brilmontuur staart ze me aan. Ik vertel haar waarom. Tot mijn verbazing begint ze gelijk mijn symptomen in te tikken op Google. Ze scrolt geconcentreerd door een aantal webpagina’s. Pagina’s die ik zelf net ook heb gevonden. Plaatjes van half verrottende mensen. Terminaal vast. De oproep van haar collega om de kennis van de dokter het werk te laten doen is bij mijn dokter niet aangekomen zie ik. Misschien heeft mijn dokter het ook wel eens. Die kortsluiting van het brein. Een onschadelijke vorm van tijdelijke afasie en verzadiging. Misschien heeft ze het nu.
“Bananenvla” herhaal ik. Blijkbaar hardop, want de dokter kijkt op van haar beeldscherm en staart me wezenloos aan.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s