De zomerhuid

Ik fiets hard. Niet omdat ik haast heb, wat op de meeste dagen zo is, maar omdat het koud is. Tussen de rand van mijn mouw en het begin van mijn want kiert een stuk ontblote huid. De zomerzon van vorig jaar die nog maanden aan mijn vel kleefde is helemaal verdwenen. Mijn huid is net iets minder bleek dan wanneer ik dood zou zijn.
Ooit stond ik op een dijk. Die dijk was daar gebouwd om het water tegen te houden maar waar het water ooit vrijelijk stroomde stonden nu kleine huisjes. Straten kronkelde als kleine riviertjes om deze obstakels heen en grijzige stukjes grasveld lagen er verlaten bij. Meestal begint een verhaal met ooit. Die dag was het meestal maar nog geen ooit. Zoals het iedere keer meestal was wanneer ik langs de dijk omlaag keek en me afvroeg waar het water naartoe was gegaan. Daarna draaide ik me twijfelend om en keek naar de deur voor me.
Ik heb heel vaak voor die deur gestaan en nooit heb ik er werkelijk doorheen gewild. Toch was het best een mooie deur. Van glanzend groen en met een glas in lood raampje waar ik niet doorheen kon kijken. Met altijd dat ene moment waarop ik moest beslissen. Waarop ik mijn vinger aarzelend naar de bel moest laten gaan. Of niet natuurlijk. Er is altijd de mogelijkheid om de dijk af te dalen en niet meer terug te komen.
De dijk afdalen is laf. Dat zou mijn vader althans zeggen. Wanneer je iets kiest dan moet je daarbij blijven. Met wispelturigheid kom je nergens. Dus rekte ik me op mijn tenen uit en bracht mijn onvolgroeide vinger naar de bel.
Het geluid van fel blaffende hondjes overstemde het geluid van de bel. Al klonken ze als geluiden in de verte. Ik weet niet wat ik erger vond. Die bel of de hondjes, maar allebei negeerde ik beleefd. Liever was ik niet beleefd. Niet hier tenminste. Liever ging de deur niet open en hoefde ik de lange trap naar de kelder niet weer af te dalen. Waar het tl-licht bedrieglijk flikkerde en de versteende hondendrollen tegen de neus van mijn schoen wegkaatsten. De keffertjes hadden nog nooit daglicht gezien. Dat had ik erg moeten vinden want ik houd van dieren maar wat ik erger vond is hoe ziekelijk de wangen van mijn vriendinnetje leken in deze stinkende ruimte. Hier zag ik de blauwe kringen onder haar ingevallen ogen die boven aan de trap nog verdoezeld werden door het alledaagse. Hier waren alleen wij en de hondjes, die wild en verlangend tegen mijn kuiten opsprongen.
Ik trek mijn wanten hoger op en fiets nog wat harder. Nog heel even en dan mag mijn huid weer zomer hebben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s